Steun ons en help Nederland vooruit

vrijdag 23 september 2016

Het resultaat telt. Deel 1 – Beeldvorming

spiegels
Een analyse van het rapport van Deloitte

Het bestuurskrachtonderzoek “Het resultaat telt” van Deloitte is een belangrijk onderzoek. Dit document bepaalt het zogenaamde “handelingsperspectief” voor de komende jaren in de Gooi en Vechtstreek. Het handelingsperspectief is een lijst van punten die bepalen wat er gaat gebeuren. Dit handelingsperspectief is zo opgesteld dat er geen enkele discussie meer kan zijn over wat er gaat gebeuren. De vier opties die in het onderzoek van Deloitte worden gepresenteerd voor samenwerking en fusie worden binnen het handelingsperspectief gereduceerd tot één optie; fusie tot maximaal drie gemeenten uiterlijk in 2023, er mag geen restgemeente overblijven, de provincie heeft de regie en start de arhi-procedure. De gemeenten dienen dit perspectief te accepteren, anders neemt de provincie Noord-Holland vanaf medio 2019 het heft in eigen handen en bepaalt de provincie wie er met wie gaat fuseren.

Het rapport van Deloitte is dus zonder meer een zeer belangrijk document. Ook al heeft de gemeente Weesp een eigen bestuurskrachtonderzoek gedaan, het is het Deloitte rapport dat de kaders stelt voor de toekomst. Tijd voor een grondige analyse van dit rapport. In de komende week zal ik verschillende aspecten van het onderzoek belichten en kijken in hoeverre het onderzoek valide is en of de conclusie, het handelingsperspectief, noodzakelijkerwijs volgt uit dat onderzoek.

Beelden van de Gooi en Vechtstreek

De basis van het bestuurskrachtonderzoek zijn drie “beelden” van de huidige situatie in de Gooi en Vechtstreek. Het zelfbeeld van de gemeenten, het omgevingsbeeld van maatschappelijke organisaties van deze gemeenten en het professionele beeld van de gemeenten van de onderzoekers zelf.

Zelfbeeld

Het zelfbeeld van de gemeenten is in het Deloitte onderzoek gebaseerd op het beeld een gemeente zoals geschetst door de colleges van B&W. De onderzoekers hebben enquêtes verspreid en gesproken met vertegenwoordigers van alle colleges en enkele gemeentesecretarissen. Wat hierbij verbaast is dat de gemeenteraden, toch de hoogste instantie in een gemeente, er totaal niet bij zijn betrokken. De vraag is nu, hoe objectief en feitelijk is het zelfbeeld waarop de onderzoekers zich baseren? Kun je dat beeld wel baseren op zo’n kleine groep mensen, waarvan sommigen misschien pas net twee jaar wethouder zijn en wellicht van buiten de gemeente afkomstig zijn? Natuurlijk kan iemand best een beeld hebben van de gemeente, maar hoe objectief is dat. Was het niet beter geweest om heel breed ook raadsleden te vragen, bijvoorbeeld van oppositiepartijen? En wat dacht u van de ambtenaren? Een gemeentesecretaris is een bestuurder aan de top, die wellicht niet een heel goed beeld heeft van wat er op de werkvloer leeft. Kortom, het is bijzonder dat het zelfbeeld gebaseerd is op alleen het beeld van de colleges van B&W.

Op 19 september zijn de gemeenteraden van de Gooi en Vechtstreek aanwezig geweest op een informatieavond van Deloitte over het onderzoek. Aan het begin van deze avond vertelden de onderzoekers dat het rapport gebaseerd is op feiten en niets dan dat. Ze hadden het grondig aangepakt, zeiden ze. Namens D66 Weesp heb ik daarop de vraag gesteld hoe je de mening van de colleges van B&W om kunt toveren in feiten? Als je over gemeente X alleen een of twee wethouders via een enquête vraagt wat ze van gemeente X vinden, heb je dan een objectief beeld van de stand van zaken van gemeente X. De onderzoekers gaven aan dat ze de ontstane beelden hadden gecontroleerd door na de enquête nog gesprekken te voeren met de colleges van B&W. Dat leverde het zelfde beeld op en daarmee was het onderzoeksresultaat gevalideerd. Je vraagt iemand schriftelijk wat hij vindt en daarna vraag e het nog een keer mondeling en als je beide keren hetzelfde hoort dan is het kennelijk waar. Een opmerkelijke onderzoeksmethode.

Omgevingsbeeld

Het omgevingsbeeld in het onderzoek is gebaseerd op enquêtes die de onderzoekers gestuurd hebben naar een zeer beperkte groep van maatschappelijke organisaties. In een gemeente als Hilversum waren dat er vier. In hoeverre zo’n beperkte uitvraag een betrouwbaar en relevant omgevingsbeeld geeft is ook zeer de vraag. In het onderzoek staan vooral redelijk banale observaties zoals de opmerking van een adviesraad sociaal domein die aangeeft dat stukken soms wel wat eerder verzonden mogen worden en dat men blij is met de buurtcoördinatoren. Dat is fijn, maar het zegt niet heel veel over de bestuurskracht van de gemeente als geheel en het functioneren in de Gooi en Vechtstreek. In Weesp hebben we alle ondernemers en maatschappelijke organisaties bij ons onderzoek betrokken. In totaal hebben 270 bedrijven en maatschappelijke organisaties de enquêtes geretourneerd. Daarnaast hebben we nog een hele reeks stadsgesprekken georganiseerd waar vele tientallen burgers en bedrijven aan deel hebben genomen. Zo peil je het omgevingsbeeld. Niet zoals Deloitte dat heeft gedaan.

Professioneel beeld

Tenslotte hebben we daar nog het professionele beeld van de onderzoekers zelf. De onderzoekers gaven op 19 september aan dat ze honderden bronnen hadden geraadpleegd. Een van de meest basale kenmerken van een goed onderzoek is dat het een lijst bevat met bronnen, zodat je kunt zien waar een onderzoek op is gebaseerd. Het onderzoek van Deloitte bevat geen bijlage met bronnen. Er wordt alleen vermeld dat er gebruik is gemaakt van cijfers van het CBS en Waarstaatjegemeente.nl. Dat is alles. Op 19 september werd alleen nog gezegd dat deze bronnen het reeds ontstane beeld verder bevestigden. Aangezien we niet weten welke bronnen dit waren, kunnen we dus hier verder geen uitspraak over doen. Wellicht hebben de onderzoekers zich gebaseerd op degelijke onderzoeken naar de stand van zaken in de gemeenten, maar het kan ook zijn dat ze slecht een paar jaar van de Gooi en Eemlander hebben doorgespit en dat de bronnen verder geen wetenschappelijk gehalte hadden.

In het rapport van Deloitte staat dat het professionele beeld een analyse is van zelfbeeld en omgevingsbeeld, aangevuld met de bovengenoemde bronnen. Uit mijn betoog zou je eerder concluderen dat het professionele beeld in feite niet erg professioneel is. Als het zelfbeeld en het omgevingsbeeld niet berusten op feiten, maar op meningen, als niet duidelijk is welke bronnen zijn gebruikt, als de onderzoekers zelf aangeven dat uit de paar resultaten die ze hadden al bleek dat verder onderzoek onnodig was, omdat het beeld al helemaal duidelijk was, dan wordt duidelijk dat dit deel van het onderzoek niet erg professioneel was en dat daaruit noodzakelijkerwijs volgt dat we het resultaat in twijfel mogen trekken. Maar er is meer. Dit is alleen de basis van het onderzoek. In het vervolg van mijn analyse zal ik andere aspecten van het onderzoek onder de loep nemen. Wordt vervolgd.