Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 27 september 2016

Het resultaat telt – Deel 5 – Als alleen het resultaat telt

resultaat

Bij een onderzoek hoort dat je conclusies trekt, de som van voor- en nadelen. In het onderzoek naar de bestuurskracht van de Gooi en Vechtstreek “Het resultaat telt” zijn er een aantal varianten om te komen tot betere samenwerking tussen de verschillende gemeenten in de regio. Je zou verwachten dat bij het trekken van de conclusie over de bestuurskracht in de Gooi en Vechtstreek ook de voor- en nadelen van alle varianten op een rij worden gezet, maar dat is hier niet het geval. De reden hiervoor is te vinden in de specifieke onderzoeksvraag op pagina 3 van het onderzoek:

“De bestuurskrachtmeting moet inzicht geven op basis waarvan kan worden besloten welke vervolgstappen in de bestuurlijke inrichting van de regio zijn te nemen. In de Gooi en Vechtstreek gaat de bestuurskrachtmeting niet strikt om de vraag of en hoe de betreffende gemeente in staat is zelfstandig haar wettelijke taken uit te voeren. Het accent ligt daarnaast op (het effect van) de samenwerking tussen gemeenten en het beantwoorden van de vraag wat de volgende stap moet zijn in de bestuurlijke herinrichting van de Gooi en Vechtstreek met het oog op regionaal optreden en maatschappelijk rendement.”

Het onderzoek van Deloitte is in feite helemaal geen bestuurskrachtonderzoek. Die bestuurskracht is leuk om te onderzoeken, maar het echte onderwerp is de bestuurlijke herinrichting van de regio met het oog op het regionaal optreden en het maatschappelijk rendement. Het regionaal optreden is de relatie met de omliggende gemeenten Amsterdam, Almere, Utrecht en Amersfoort en niet te vergeten de provincie Noord-Holland als gesprekspartner. Het maatschappelijk rendement is hoeveel het bestuur kost. Een van de belangrijkste redenen om te fuseren die vanuit het Rijk steeds gehanteerd wordt is dat grote gemeenten veel kostenefficiënter zijn. Minder collegeleden, minder raadsleden, een grotere, maar uiteindelijk efficiëntere ambtelijke organisatie. In de praktijk wordt bij gemeentelijke herindelingen daarom steeds een zogenaamde efficiencykorting toegepast die kan oplopen tot 30%. Voor het Rijk is gemeentelijke herindeling dan ook vooral interessant vanuit financieel oogpunt. Dat deze bezuiniging de nieuwe gefuseerde gemeenten in de praktijk vaak voor grote problemen stelt is een ander punt. Bij veel gefuseerde gemeenten moet vanaf dag 1 zwaar bezuinigd worden en stijgen de lasten om de efficiencykorting van het Rijk te kunnen bolwerken.

Als het de vraag is hoe er een grote speler kan worden gecreëerd in de Gooi en Vechtstreek die partij kan bieden aan de omliggende gemeenten en als de tweede insteek is dat er kosten moeten worden bespaard, dan is dat iets heel anders dan kijken hoe het zit met de bestuurskracht van de regio en wat objectief gezien de beste oplossing is voor een betere samenwerking in de regio met daarbij oog voor alle voor- en nadelen.

Het is niet de vraag of de bestuurlijke herinrichting er moet komen, maar hoe ze eruit ziet. Dat het moet gebeuren is een van die algemeen aanvaarde inzichten waar al lang geen debat meer over gevoerd wordt. Iedereen weet immers dat gemeentelijke herindelingen alleen maar voordelen hebben en altijd een succes zijn, net als in het bedrijfsleven en het onderwijs.

De onderzoekers kiezen er daarom voor om zich binnen de kaders van deze opdracht alleen te concentreren op de beperkingen van de verschillende varianten voor effectieve samenwerking. Deze beperkingen worden keurig netjes in een matrix gezet met alle varianten op een rij. Vervolgens wordt er aangegeven of een variant de beperking oplost, reduceert, geen effect heeft, of dat de beperkingen zelfs groter worden. Dat levert de onderstaande matrix op.

BKM Matrix

Het mag duidelijk zijn dat variant D, fuseren tot 1 gemeente Gooi en Vecht in dit overzicht veruit de beste variant is. Maar als je de tekst onder de matrix leest, dan staat daar een opmerkelijk openhartige ontboezeming van de onderzoekers. Het is haast een verontschuldiging.

“Tegelijk constateren we dat de varianten B, C en D wel snel opgeschreven zijn, maar in de praktijk niet snel werkend zijn te maken. Ervaringen met grootschalige herindelingen (variant D), evenals die met forse aanpassingen in de samenwerkingsformule (variant B) en gebiedsgewijze herindelingen (variant C), laten zien dat het proces van voorbereiding, implementatie en vervolgens werkend maken van het nieuw ingerichte bestuurlijk systeem meerdere raadsperiodes duurt en vele voetangels en klemmen kent. We moeten er dus rekening mee houden dat de op papier beste variant niet per se de variant is die in de praktijk ook het beste zal werken en al zeker niet op de korte termijn.“

Hier lijken de onderzoekers te willen zeggen: “Lieve provincie Noord-Holland, we snappen wat jullie willen en we hebben het netjes in een matrix gezet, maar realiseer je wel dat het allemaal een fictie is. In de praktijk komen die ficties nooit uit omdat er teveel haken en ogen aan zitten.” Het zou mooi zijn geweest als al deze haken en ogen ook in de matrix waren opgenomen. Sterker nog, het zou goed zijn als niet alleen de beperkingen van de varianten voor het samenwerken van de regio in de matrix zou staan, maar alle voor- en nadelen van de varianten? De onderzoekers geven een aantal van zulke nadelen, zoals bij variant D:

“Mogelijk nadeel/risico van deze variant is dat de grootschaligheid van het bestuur het gevoel van representatie door en identificatie met (groepen) bewoners in het gebied vermindert. Ook kan in zo’n grootschalige bestuursstructuur de aansluiting met het fijnmazige net van maatschappelijke organisaties/verenigingen in het gebied verloren gaan, waarmee de verbinding tussen “samenlevingskracht” en “bestuurskracht” onder druk komt.”

Met andere woorden, de kloof tussen politiek en burgers zal bij variant D toenemen. Dat is best wel een groot nadeel van deze variant. Die kloof is al heel groot en als die nog verder toeneemt dan wordt daar niemand blij van. Toch staat dit nadeel niet in de matrix, want het gaat immers niet om een beperking van het bestuurlijke systeem Gooi en Vechtstreek. Het is een beperking die de burger voelt en die beperking is geen onderdeel van de onderzoeksvraag.

Strikt genomen kunnen we het de onderzoekers van Deloitte niet kwalijk nemen dat zij een rapport hebben geschreven dat toewerkt naar een van tevoren vastgestelde conclusie. Het was immers de uitdrukkelijke wens van de provincie dat het op deze manier zou worden aangepakt. Het doel was de gemeenten van de Gooi en Vechtstreek bij de lurven te pakken en nou eindelijk eens de volgende stap te kunnen nemen in de droomwens van de provincie, bestuurlijke herinrichting van de regio. De neerslag hiervan is het laatste hoofdstuk over het handelingsperspectief. Terwijl in hoofdstuk 11 nog een poging wordt gewaagd om verschillende opties op een rij te zetten en de illusie in stand wordt gehouden dat er wat te kiezen valt, valt hoofdstuk 12 met de deur in huis. Er zijn 4 opties, maar als u niet optie 3 kiest, dan neemt de provincie dit besluit voor de gemeenten.

Samenvattend
Als we alle betogen van de afgelopen dagen op een rij zetten dan ontstaat het volgende beeld.

1. De onderzoeksvraag legt niet de nadruk op bestuurskracht, maar wil vooral de vraag beantwoorden welke vorm van herindeling qua bovenregionale bestuurskracht het meeste oplevert. Daarnaast is bezuiniging op de kosten van lokaal bestuur een belangrijke drijfveer.

2. Het onderzoek van het zelfbeeld van de gemeenten is alleen gebaseerd op de meningen van de verschillende colleges. Dit zijn slechts meningen en geen feiten en daarmee geven zij geen valide zelfbeeld. De omgevingsbeelden zijn gebaseerd op een veel te kleine steekproef en de er is geen bronnenlijst waarop het professionele beeld is gebaseerd.

3. De begeleidingscommissie bestond vooral uit collegeleden die verantwoordelijk waren voor het zelfbeeld. Daarnaast bestaat de sterke indruk dat de begeleidingscommissie haar invloed heeft gebruikt om het uiteindelijke handelingsperspectief te “begeleiden” naar de gewenste uitkomst.

4. De onderzoekers hebben bewust de samenwerking in het Sociaal Domein genegeerd en zich geconcentreerd op twee dossiers in het Fysiek Domein die nog niet eens door de raden zijn vastgesteld. De conclusie dat de samenwerking niet effectief is, is op basis van deze dossiers niet valide.

5. In de beschrijving van de varianten zit een duidelijk waardeoordeel en er is een duidelijke voorkeur op basis van “algemeen aanvaarde inzichten” die niet nader worden gespecificeerd.

6. De onderzoekers geven bij voorbaat toe dat de voorkeursvarianten alleen in theorie succesvol zijn en dat er veel haken en ogen aan kleven. Die haken en ogen worden volledig genegeerd in de keuze voor de voorkeursvariant. Ook wordt er bewust geen voordelen van de verschillen varianten op een rij gezet. Dit is mogelijk doordat dit door de specifieke vraagstelling van het onderzoek buiten de scope van het onderzoek valt.

Mijn conclusie is dat het onderzoek van Deloitte ernstig gemankeerd is. Het is geen serieus bestuurskrachtonderzoek en geen serieuze afweging van de verschillende varianten. De aanpak is slordig, oppervlakkig en bevooroordeeld. De vraagstelling van het onderzoek laat zien dat het bestuurskrachtonderzoek slechts dient als schaamlap om te kunnen komen tot een vooropgezet handelingsperspectief waarmee de provincie de gemeenten kan dwingen tot herindeling.
De titel van dit onderzoek is “Het resultaat telt”. Deze titel is veelzeggend, want het is duidelijk dat bij dit onderzoek inderdaad alleen het resultaat telt. De vraag is nu of de gemeenten in de Gooi en Vechtstreek en Gedeputeerde Staten deze resultaatgerichtheid delen en zonder enige schaamte het rapport van Deloitte omarmen?

 

Dit is deel 5 van een reeks van artikelen over het bestuurskrachtonderzoek “Het resultaat telt” naar de bestuurskracht in de Gooi en Vechtstreek. Deel 1 kunt u hier lezen, Deel 2 hier, Deel 3 hier en Deel 4 hier.